[Officium]
Feria Sexta in Passione et Morte Domini

[Rule]
Full text

[Prelude]
!De plechtige liturgische handeling dient 's middags te worden gevierd, bij voorkeur rond het derde uur; indien pastorale overwegingen dit vereisen, kan deze echter vanaf het middaguur of op een later tijdstip beginnen, maar niet later dan het negende uur 's avonds. Het privé vieren van de liturgische handeling is verboden. Op deze dag mag de Heilige Communie alleen tijdens de plechtige liturgische handeling in de middag aan de gelovigen worden uitgedeeld, behalve aan hen die in levensgevaar verkeren.
!1. Het altaar dient volledig kaal te zijn: zonder kruis, zonder kandelaars, zonder tafelkleden.
!2. De plechtige liturgische handeling in de middag van deze week, waar onvoldoende geestelijken en priesters aanwezig zijn, wordt door de celebrant verricht met de hulp van de bedienaren, zoals bij hun plaatsen zal worden aangegeven; waar geestelijken aanwezig zijn, is het echter het meest passend dat zij de liturgische handeling in het koor bijstaan.
!3. Daarom is iedereen gekleed in zijn of haar koorkleding; De celebrant en de diaken, gekleed in het habijt, wit met gordel, nemen de zwarte toga; de subdiaken ontvangt de toga, de witte toga en de gordel.
!4. Wanneer allen aldus gereed zijn, begint de processie door de kerk naar het altaar, in stilte.
!5. De geestelijken, bedienaren of andere dienaren, en de celebrant, betuigen eerbied aan het altaar wanneer zij het altaar bereikt hebben; vervolgens knielen de celebrant en de dienaren, maar niet de dienaren, neer, terwijl de rest naar de banken in het koor gaat en daar blijft, knielend en diep buigend: en allen bidden enige tijd in stilte.
!6. Wanneer het teken gegeven is, staan ​​allen op, maar blijven geknield; de celebrant alleen, staande voor de treden van het altaar, zegt met gevouwen handen en op een eerbiedige toon het volgende gebed:
V. Heer, door het lijden van uw Christus, onze Heer, hebt Gij een einde gemaakt aan de dood, die door de eerste zonde erfelijk geworden was en van geslacht op geslacht bij de nakomelingen overging. Geef ons, aan Hem gelijkvormig te worden en door de aardse natuur heen, waarmee wij door onze geboorte bekleed zijn, de heiligende uitwerking van de hemelse genade te doen uitstralen. Door Christus onze Heer. R. Amen.
_
_
!!I. Lectiones, Passio
!7. Wanneer het gebed is voltooid, nemen de celebrant en de dienaren, of degenen die hem dienen, plaats op hun stoelen. Ondertussen wordt een kale lessenaar in het midden van de priesterzaal geplaatst en begint de lector met de eerste lezing, terwijl allen zitten en luisteren. Deze begint zonder titel en eindigt zonder Deo gratias.
!7a. Indien de lector afwezig is, leest de celebrant zelf, staand op zijn plaats, de lezing voor.
!Lectio prima
!Osee 6:1-6
Dit zegt de Heer: In hun nood zullen zij haastig tot mij komen: komt, laten wij terugkeren tot de Heer. Want Hij heeft ons aangegrepen, maar Hij zal ons genezen; Hij heeft ons wel geslagen, maar Hij zal ons verzorgen. Over twee dagen zal Hij ons weer levend maken; op de derde dag zal Hij ons opwekken. Dan zullen wij weer leven voor zijn aangezicht; wij zullen kennen, ja er naar streven de Heer te kennen. Hij staat klaar om te komen als het morgenrood; en Hij zal tot ons komen als een welkome regen, als een voorjaarsregen op het land. Wat zal Ik met u doen, Ephraïm? wat zal Ik met u doen, Juda? Uw barmhartigheid is als een wolk in de morgen, als de dauw, die 's morgens optrekt. Daarom heb Ik hen geslagen door de profeten, heb Ik hen gedood door het woord van mijn mond; en het vonnis, dat u treft, treedt aan de dag als het licht. Want barmhartigheid wil Ik eerder dan offers, en erkenning van God liever dan brandoffers.
_
!Na afloop volgt een responsorium, dat door de schola gezongen of door de aanwezige geestelijken voorgedragen kan worden.
!Responsorium
V. Heer, ik heb uw uitspraak gehoord en ben vervuld van vrees. Ik heb uw werken aanschouwd en ben ontsteld.
V. Tussen twee dieren zult Gij U openbaren; als de jaren gekomen zijn, zult Gij herkend worden; als de tijd daar is, zult Gij U openbaren.
V. En dan, als mijn ziel ontsteld zal zijn, zult Gij zelfs in uw toorn aan barmhartigheid denken.
V. God zal van de Libanon komen en de Heilige van de schaduwrijke, dichtbegroeide berg.
V. Zijn Majesteit bedekt de hemelen en de aarde is vol van zijn lof.
_
!8. Na het responsorium staan ​​allen op; de celebrant, staande bij de zetel, zegt Oremus, de diaken Flectamus genua, en allen bidden, met gebogen knieën, een tijdje in stilte; wanneer de diaken Levate zegt, staan ​​allen op, en de celebrant, met gevouwen handen en op een feriale toon, zegt het gebed.
!8 a. De celebrant, blijvend op zijn plaats, zegt Oremus, Flectamus genua, en, na een kort tussenliggend gebed, met gebogen knieën en in stilte, zegt Levate; dan staat hij op, en met gevouwen handen en op een feriale toon, zegt hij het gebed.
!Oratio
V. Laat ons bidden.
V. Maken wij een kniebuiging.
R. Staat op.
God, van U heeft Judas de straf voor zijn misdaad en de moordenaar de beloning voor zijn belijdenis gekregen. Laat ons de uitwerking van uw barmhartigheid ondervinden, opdat Jezus Christus, onze Heer, zoals Hij in zijn lijden aan hen beiden loon gaf naar hun werken, zo ook in ons de oude dwaling doe verdwijnen en de genade verleent van zijn verrijzenis. 
$Qui tecum
_
_
!9. Wanneer het gebed is voltooid, volgt de tweede lezing, die door de subdiaken bij de lezenaar wordt voorgelezen, ook zonder titel en zonder Deo gratias aan het einde. De celebrant en alle anderen, zittend, luisteren.
!9a. De lector leest de lezing bij de lezenaar; anders de celebrant zelf, staand op zijn plaats.
!Lectio
!Exodus 12:1-11
In die dagen sprak de Heer tot Mozes en Aäron in het land van Egypte: Deze maand moet voor u het begin der maanden zijn, de eerste onder de maanden van het jaar. Spreekt tot heel de menigte der kinderen van Israël en zegt hun: Op de tiende dag van deze maand moet ieder een lam nemen, per familie en per huisgezin. Indien echter het getal te klein is, om voldoende te zijn voor het eten van een lam, dan zal hij zijn buurman, die in het huis naast hem woont, er bij nemen tot het aantal personen, dat voldoende is om een lam te eten, bereikt is. Het moet een lam zijn zonder gebrek, van het mannelijk geslacht, één jaar oud; onder dezelfde bepalingen kunt gij echter ook een geitebokje nemen. Gij moet het bewaren tot de veertiende dag van de maand; en dan zal heel het volk van de Israëlieten het slachten tegen de avond. Dan zal men van zijn bloed nemen en het op beide deurstijlen strijken en op de bovendorpels van de huizen, waar het gegeten wordt. En men moet die nacht het vlees eten, gebraden boven het vuur, en daarbij ongedesemd brood met wilde sla. Gij moogt er niets van eten, wat rauw is of in water gekookt, maar alleen wat boven het vuur gebraden is; kop en poten en ingewanden moeten mee opgegeten worden. En niets mag er van overblijven tot de volgende morgen. Als er wat over is, moet gij het in het vuur verbranden. En gij moet het eten op de volgende wijze: gij moet uw lendenen omgord houden en schoeisel aan de voeten, de stok in de hand, en gij moet eten in haast; want het is het Pasen, dit is de voorbijgang des Heren.
_
!Na afloop volgt een responsorium, dat door de schola gezongen of door de aanwezige geestelijken voorgedragen kan worden.
!Responsorium
!Ps 139:2-10, 14
V. Verlos mij, Heer, van de boze mens. Bevrijd mij van de man, die onrecht bedrijft.
V. Zij zinnen op boosheid in hun hart en al maar door verwekken zij strijd.
V. Zij hebben hun tongen gescherpt als die der slang, en addergif bruist er onder hun lippen.
V. Bewaar mij, Heer, voor de hand van de zondaar en bevrijd mij van hen, die onrecht bedrijven.
V. Die trachten mij de voet te lichten; die trotsaards, in het geheim leggen zij mij hun strikken.
V. Zij spannen voor mijn voeten hun netten uit tot val, en leggen mij een struikelblok langs de weg.
V. Maar dan sprak ik tot de Heer: Mijn God zijt Gij, luister, Heer, naar de stem van mijn smeken.
V. Heer, Heer, Gij zijt mijn krachtige hulp. Wees Gij de schutse van mijn hoofd op de dag van de strijd.
V. Geef mij niet prijs aan de zondaar, tegen wil en dank. Zij spannen samen tegen mij. Verlaat mij niet, opdat zij zich niet beroemen.
V. Mogen op het hoofd van die mij omsingelen, de boosheid van hun lippen neerkomen.
V. Ja waarlijk, de rechtvaardigen zullen uw Naam verheerlijken, en de gerechtigen zullen wonen voor uw aanschijn.
_
_
!!Passio
!10. Nadat de tweede lezing met het bijbehorende responsorium is voltooid, worden de losse lezingen met de boeken naast het Evangelie gelegd, op de hoogte van het priesterkoor, en wordt het verhaal van het lijden van de Heer volgens Johannes als volgt gezongen of voorgelezen: het wordt gezongen of voorgelezen door de bedienaren, ten minste in de orde van de diakenen, die, vergezeld door twee acolieten of bedienaren, zonder lampen en zonder wierook, eerbied hebben betoond bij het altaar en voor de celebrant gaan staan; in hun midden, diep buigend, zegt de celebrant luid:
S. Moge de Heer in uw hart zijn en op uw lippen.
R. Amen.
!10 a. De celebrant leest of zingt het verhaal van het lijden van de Heer, met een heldere en duidelijke stem. Vóór aanvang, in het midden van het priesterkoor, buigt hij diep en zegt in stilte: De Heer zij in mijn hart en op mijn lippen. Amen. Vervolgens, na een eerbiedige buiging voor het altaar, gaat hij naar de zijkant van het Evangelie en begint daar, op de kale leesplank, het verhaal van het lijden van de Heer te lezen of te zingen.
!Vervolgens, na opnieuw een eerbiedige buiging voor het altaar te hebben gemaakt, gaan ze naar de zijkant van het Evangelie en beginnen daar, op de kale leesplank, het verhaal van het lijden van de Heer te zingen of te lezen, terwijl iedereen luistert.
Lijdensverhaal van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
!Joannes 18:1-40; 19:1-42
In die tijd ging Jezus met zijn leerlingen de stad uit naar de overzijde van de Cedronbeek: daar was een tuin, waar Hij binnenging, samen met zijn leerlingen. Maar ook Judas, de verrader, kende die plaats, omdat Jezus daar dikwijls tezamen met zijn leerlingen geweest was. Daarom nam Judas de soldatentroep en knechten van de opperpriesters en van de pharizeeën en trok daarheen met lantaarns en fakkels en wapens. In het volle bewustzijn dan van al wat Hem zou overkomen, trad Jezus naar voren en sprak tot hen: + Wie zoekt gij? C. Zij antwoordden Hem: S. Jezus van Nazareth. C. Jezus zeide hun: + Dat ben Ik. C. Ook Judas, de verrader, stond bij hen. Toen Hij hun dan zeide: Dat ben Ik! weken zij achteruit en vielen op de grond. Dan vroeg Hij hun opnieuw: + Wie zoekt gij? C. En zij zeiden: S. Jezus van Nazareth. C. Jezus antwoordde: + Ik heb u al gezegd, dat Ik dat ben; als gij dus Mij zoekt, laat dezen hier dan vrij heengaan. C. Zo moest in vervulling gaan het woord, dat Hij gesproken had: Van hen, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik niemand verloren laten gaan. Simon Petrus echter had een zwaard bij zich; hij trok het en trof de knecht van de hogepriester, en sloeg hem het rechteroor af. De naam van die knecht was Malchus. Maar Jezus sprak tot Petrus: + Steek uw zwaard in de schede; de kelk, die de Vader Mij gegeven heeft, zou Ik die niet drinken? C. De soldatentroep dan en de hoofdman en de knechten van de Joden grepen Jezus en boeiden Hem. En zij brachten Hem eerst naar Annas; want deze was de schoonvader van Caiphas, die dat jaar hogepriester was. En het was Caiphas, die aan de Joden de raad gegeven had: Het beste is, dat één mens sterft voor het volk. Simon Petrus nu volgde Jezus en met hem een andere leerling. Deze leerling was bij de hogepriester bekend, en hij ging met Jezus het paleis van de hogepriester binnen. Maar Petrus was buiten aan de poort blijven staan. Daarom ging die andere leerling, die bij de hogepriester bekend was, weer naar buiten, sprak met de poortwachteres en bracht Petrus binnen. En de poortwachteres zeide tot Petrus: S. Zijt gij ook niet een van de leerlingen van die man? C. Hij antwoordde: S. Volstrekt niet. C. Omdat het koud was, hadden de knechten en de dienaren een vuur aangemaakt, en stonden zich te warmen; en ook Petrus stond bij hen en warmde zich. Intussen ondervroeg de hogepriester Jezus over zijn leerlingen en over zijn leer. Jezus gaf hem ten antwoord: + Ik heb openlijk tot de wereld gesproken; Ik heb mijn onderricht altijd gegeven in synagogen of in de tempel, waar alle Joden bijeenkomen, en in het verborgen sprak Ik niets. Wat ondervraagt gij Mij? Ondervraagt hen, die gehoord hebben, wat Ik tot hen sprak: die weten immers, wat Ik geleerd heb. C. Maar toen Hij dat gezegd had, gaf een van de aanwezige dienaren Jezus een kaakslag, met de woorden: S. Geeft Gij zo'n antwoord aan de hogepriester? C. Jezus antwoordde hem: + Als Ik verkeerd gesproken heb, dien dan een aanklacht in over dat verkeerde; maar als het goed is, waarom slaat gij mij dan? C. En Annas zond Hem geboeid naar Caiphas, de hogepriester. Intussen stond Simon Petrus zich te warmen. En men zeide hem: S. Zijt gij ook niet een van zijn leerlingen? C. Hij ontkende het en zeide: S. Volstrekt niet. C. Een van de dienaren van de hogepriester, een bloedverwant van degene, die Petrus het oor had afgeslagen, sprak tot hem: S. Heb ik u niet bij Hem gezien in de hof? C. Maar opnieuw ontkende Petrus; en aanstonds kraaide er een haan. Toen brachten zij Jezus van Caiphas naar het gerechtshof. Het was nog vroeg in de morgen. Zelf echter traden zij het gerechtshof niet binnen, om niet verontreinigd te worden, maar het paaslam te kunnen eten. Daarom kwam Pilatus tot hen naar buiten en vroeg: S. Wat voor aanklacht hebt gij in te brengen tegen deze man? C. Zij gaven hem ten antwoord: S. Als Hij geen misdadiger was, zouden wij Hem niet aan u overleveren. C. Toen zeide Pilatus: S. Neemt gij Hem dan zelf en oordeelt Hem volgens uw eigen Wet. C. De Joden gaven hem ten antwoord: S. Wij mogen niemand ter dood brengen. C. Zo moest het woord van Jezus in vervulling gaan, dat Hij gesproken had, om aan te geven, welke dood Hij sterven zou. Pilatus ging dan weer het gerechtshof binnen; hij liet Jezus roepen, en vroeg Hem: S. Zijt Gij de Koning van de Joden? C. Jezus antwoordde: + Stelt gij die vraag uit uzelf, of hebben anderen u dat van Mij gezegd? C. Pilatus hernam: S. Ben ik dan soms een Jood? Uw eigen volk en de opperpriesters hebben U aan mij uitgeleverd. Wat hebt Gij gedaan? C. Jezus gaf ten antwoord: + Mijn rijk is niet van deze wereld. Als mijn rijk van deze wereld was, zouden ongetwijfeld mijn dienaren er voor strijden, dat Ik niet aan de Joden werd overgeleverd; maar mijn rijk is nu eenmaal niet van hier. C. Toen zeide Pilatus tot Hem: S. Dus Koning zijt Gij? C. Jezus antwoordde: + Ja, gij zegt het; Koning ben Ik. Daartoe ben Ik geboren, en daartoe juist in de wereld gekomen, om te getuigen voor de waarheid. Ieder, die uit de waarheid is, luistert naar mijn stem. C. Pilatus zeide Hem: S. Wat is waarheid? C. En met die uitroep ging hij weer naar buiten tot de Joden, en zeide hun: S. Ik kan geen enkele schuld in Hem ontdekken. Maar gij zijt nu eenmaal gewoon, dat ik u bij het Paasfeest iemand vrijlaat. Wilt gij dus, dat ik u de Koning der Joden vrijlaat? C. Maar allen schreeuwden weer: Hem niet, maar Barabbas! C. Barabbas nu was een rover. Daarop nam Pilatus Jezus, en liet Hem geselen. En de soldaten vlochten een kroon van doornen en zetten Hem die op het hoofd; en zij wierpen Hem een purperen mantel om. Dan traden zij, de een na de ander op Hem toe, en zeiden: S. Gegroet, Gij Koning van de Joden! C. En zij sloegen Hem daarbij in het gezicht. Toen trad Pilatus weer naar buiten, en zeide hun: S. Ziet, ik breng Hem naar buiten tot u, om u te laten weten, dat ik volstrekt geen schuld in Hem vind. [Jezus trad naar buiten, doornenkroon en purperen mantel dragend.] C. Dan sprak hij: S. Ziet de mens! C. Zodra echter de hogepriesters en hun dienaren Jezus zagen, begonnen zij luid te schreeuwen: S. Aan het kruis met Hem, aan het kruis met Hem! C. Pilatus zeide hun: S. Neemt Hem dan zelf en kruisigt gij Hem! Want ik vind geen schuld in Hem. C. De Joden gaven hem ten antwoord: S. Wij hebben een wet en volgens die wet moet Hij sterven, omdat Hij Zich voor de Zoon van God heeft uitgegeven. C. Toen Pilatus dat hoorde, begon hij nog meer te vrezen. Weer ging hij het gerechtshof binnen, en sprak tot Jezus: S. Vanwaar zijt Gij? C. Maar Jezus gaf hem geen antwoord. Pilatus zeide Hem dan: S. Gij spreekt niet tot mij? Weet Gij dan niet, dat ik het in mijn macht heb, U te kruisigen of U vrij te laten? C. Jezus antwoordde: + Gij zoudt niet de minste macht tegen Mij hebben, als zij u niet van boven was gegeven. Daarom heeft degene, die Mij aan u overleverde, groter schuld. C. Dientengevolge bleef Pilatus pogingen doen, om Hem vrij te laten. Maar de Joden schreeuwden: S. Als gij zo iemand vrij laat, zijt gij geen vriend van de keizer; want wie zich voor koning uitgeeft, verklaart zich tegen de keizer. C. Toen Pilatus dat hoorde, liet hij Jezus naar buiten brengen, en zette zich neder op de rechterstoel, op de plaats, die in het grieks Lithostrotos heette en in het hebreeuws Gabbatha. Het was de voorbereidingsdag van het Paasfeest, ongeveer het zesde uur. Dan sprak hij tot de Joden: S. Daar staat dan uw Koning! C. Maar zij schreeuwden: S. Weg met Hem! Weg met Hem! Aan het kruis met Hem! C. Pilatus zeide hun: S. Moet ik dan uw Koning kruisigen? C. De opperpriesters antwoordden: S. Wij hebben geen andere koning dan de keizer! C. Toen gaf hij Hem aan hen over, om Hem te kruisigen. En zij namen Jezus mee en voerden Hem weg. En zelf zijn kruis dragend ging Hij naar de plaats, die Calvarië heette, in het hebreeuws: Golgotha; en daar kruisigden zij Hem en samen met Hem twee anderen, ieder aan een kant en Jezus in het midden. En Pilatus liet ook een opschrift maken en boven het kruis aanbrengen. Er stond geschreven: Jezus van Nazareth, Koning van de Joden. Dat opschrift werd door vele Joden gelezen, omdat de plaats waar Jezus gekruisigd werd, dicht bij de stad lag. En het was geschreven in het hebreeuws, in het grieks en in het latijn. De opperpriesters van de Joden zeiden dan tot Pilatus: S. Gij moet niet schrijven: De Koning van de Joden; maar: Hij heeft gezegd: Ik ben de Koning van de Joden. C. Pilatus antwoordde: S. Wat geschreven is, is geschreven. C. Toen dan de soldaten Jezus hadden gekruisigd, namen zij zijn klederen en verdeelden ze in vieren, voor iedere soldaat een deel, bovendien de lijfrok. Deze lijfrok nu was van boven tot onder zonder naad, uit één stuk geweven. Daarom zeiden zij tot elkaar: S. Laten wij die niet in stukken scheuren, maar er om loten, wie hem zal hebben. C. Zo moest het Schriftwoord in vervulling gaan: “Zij hebben mijn klederen onder elkaar verdeeld, en over mijn kleed hebben zij het lot geworpen.” Zo deden dan de soldaten. Bij het kruis nu van Jezus stonden zijn Moeder en de zuster van zijn Moeder, Maria van Cleophas en Maria Magdalena. Toen Jezus dan zijn Moeder en de leerling, die Hij liefhad, daar zag staan, sprak Hij tot zijn Moeder: + Vrouwe, ziedaar uw zoon. C. Daarop sprak Hij tot de leerling: + Ziedaar uw Moeder. C. En van dat ogenblik af nam de leerling haar bij zich. Wetend dan, dat alles was volbracht, zeide Jezus ten slotte, opdat de Schrift geheel vervuld zou worden: + Ik heb dorst. C. Nu stond daar een kruik met azijn. Men stak dan een spons vol azijn boven op een hyssopstengel en bracht die aan zijn mond. En toen Jezus van de azijn genomen had, sprak Hij: + Het is volbracht. C. Dan boog Hij zijn hoofd, en gaf de geest. 
!Hier knielt men en bidt enige ogenblikken in stilte.
Daar het nu voorbereidingsdag was, en men de lijken niet op de sabbath aan het kruis wilde laten - het was nog wel een grote sabbath - vroegen de Joden aan Pilatus, dat men hun de benen zou breken, en hen dan zou afnemen. Toen kwamen de soldaten en braken wel de benen van de eerste en ook van de tweede, die met Hem gekruisigd was. Toen zij echter bij Jezus kwamen en zagen, dat Hij reeds gestorven was, braken zij Hem de benen niet. Maar een van de soldaten stak met een lans zijn zijde open, en onmiddellijk kwam er bloed en water uit. En die het zelf gezien heeft, legt er getuigenis van af, opdat ook gij moogt geloven; want zijn getuigenis is waar, en hij weet zeker, dat hij waarheid spreekt. Dit gebeurde immers opdat de Schrift vervuld zou worden: “Geen been zult gij er van breken.” En een ander Schriftwoord zegt nog: “Zij zullen opzien naar Hem die zij doorstoken hebben.” Daarna deed Joseph van Arimathea - daar hij een leerling van Jezus was, ofschoon slechts in het geheim, uit vrees voor de Joden - aan Pilatus het verzoek, het lichaam van Jezus te mogen afnemen. En Pilatus stond het toe. Hij kwam dan, om het lichaam van Jezus af te nemen. Toen kwam ook Nicodemus, die de eerste keer in de nacht bij Jezus was gekomen, en hij bracht een mengsel mee van myrrhe en aloë, ongeveer honderd pond. Zij namen het lichaam van Jezus, en wikkelden het in linnen doeken samen met de reukwerken, zoals de Joden gewoon zijn bij het begraven. Nu lag daar ter plaatse, waar Hij gekruisigd werd, een tuin, en in die tuin was een nieuw graf, waarin nog nooit iemand was neergelegd. En omdat het bij de Joden voorbereidingsdag was, en het graf dichtbij, legden zij Jezus daar neder. 
_
_
!! DE SECUNDA PARTE ACTIONIS LITURGICAE SEU DE ORATIONIBUS SOLEMNIBUS, QUAE ETIAM “ORATIO FIDELIUM” DICUNTUR
!12. Na het zingen of voorlezen van het verhaal van het lijden van de Heer, trekt de celebrant een zwarte mantel aan; de diaken en subdiaken doen een dalmatiek of tuniek van dezelfde kleur aan. Ondertussen spreiden twee acolieten of dienaren een tabernakel uit over het altaar en plaatsen een boek in het midden. Dan nadert de celebrant, vergezeld door de bedienaren of dienaren, het altaar, dat hij bestijgt, in het midden kust, en daar staand, met het boek voor zich, begint hij de plechtige gebeden, met de geestelijke dienaren aan weerszijden.
!13. Deze worden in deze volgorde uitgesproken: De prefatie van de celebrant gaat vooraf, waarin de bijzondere intentie wordt aangegeven, en wordt gezongen in de hieronder vermelde specifieke toon, met gevouwen handen; dan zegt de celebrant: Laten we bidden, de diaken zegt: Laten we onze knieën buigen, en allen knielend bidden zij enige tijd in stilte; Wanneer de diaken Levate zegt, staan ​​allen op, en de celebrant zegt het gebed met uitgestrekte handen en op een feriale toon.
!13 a. De celebrant zegt Oremus, Flectamus genua, en na een kort tussenliggend gebed zegt hij met gebogen knieën en in stilte Levate, staat dan op en zegt het gebed met uitgestrekte handen en op een feriale toon.
V. Laat ons bidden, welbeminden, voor de heilige Kerk van God. Dat onze God en Heer zich gewaardige haar in vrede en eenheid te bewaren en te beschermen over de gehele wereld, door aan haar te onderwerpen de vorsten en de machten, en dat Hij ons in een rustig en vredig leven God, de almachtige Vader, laat verheerlijken.
S. Laat ons bidden.
V. Maken wij een kniebuiging.
R. Staat op.
V. Almachtige, eeuwige God, Gij hebt uw heerlijkheid in Christus aan alle volkeren geopenbaard. Bewaar het werk van uw barmhartigheid en laat uw Kerk, over de gehele wereld verspreid, in standvastig geloof volharden in het belijden van uw Naam. Door dezelfde Jezus Christus, onze Heer, uw Zoon: die met U leeft en heerst in de eenheid van de Heilige Geest, God: door alle eeuwen der eeuwen.
R. Amen.
_
_
V. Laat ons ook bidden voor onze heilige Vader, Paus N., dat onze God en Heer, die hem uitgekozen heeft onder de bisschoppen, hem gezond en ongedeerd voor zijn heilige Kerk beware om het heilig volk Gods te leiden.
S. Laat ons bidden.
V. Maken wij een kniebuiging.
R. Staat op.
V. Almachtige, eeuwige God, uw raadsbesluit is de grondslag van alles. Sla genadig acht op onze gebeden en behoed in uw liefde onze bisschop, die Gij voor ons hebt gekozen, opdat het christenvolk, dat in opdracht van U bestuurd wordt, onder zulk een bisschop in verdiensten van geloof mag toenemen. Door onze Heer Jezus Christus, uw Zoon: die met U leeft en heerst in de eenheid van de Heilige Geest, God: door alle eeuwen der eeuwen.
R. Amen.
_
_
V. Laat ons ook bidden voor alle Bisschoppen, Priesters, Diakens, Subdiakens, Acolythen, Duivelbezweerders, Lezers, Deurbewaarders, Belijders, Maagden, Weduwen en voor geheel het heilige volk Gods.
S. Laat ons bidden.
V. Maken wij een kniebuiging.
R. Staat op.
V. Almachtige, eeuwige God, door uw Geest wordt het gehele lichaam der Kerk geheiligd en bestuurd. Verhoor ons, nu wij smeken voor alle rangen, opdat met de hulp van uw genade allen in hun rang U trouw dienen. Door onze Heer Jezus Christus, uw Zoon: die met U leeft en heerst in de eenheid van dezelfde Heilige Geest, God: door alle eeuwen der eeuwen.
R. Amen.
_
_
V. Laat ons eveneens bidden voor alle bestuurders der staten, ambtsdragers en hooggeplaatsten. Moge de Heer God hun geest en hart leiden volgens zijn wil, opdat wij een voortdurende vrede genieten.
S. Laat ons bidden.
V. Maken wij een kniebuiging.
R. Staat op.
V. Almachtige, eeuwige God, uit uw hand komen alle macht en de rechten van alle volkeren; zie welwillend neer op hen, die over ons regeren. En mogen overal ter wereld de Kerk een voorturende vrede en de landen een onbedreigde veiligheid genieten. Door onze Heer Jezus Christus, uw Zoon: die met U leeft en heerst in de eenheid van de Heilige Geest, God: door alle eeuwen der eeuwen.
R. Amen.
_
_
V. Laat ons ook bidden voor onze doopleerlingen. Dat onze God en Heer de oren van hun hart en de deur van zijn barmhartigheid opene, opdat zij door het bad der wedergeboorte vergiffenis van al hun zonden verkrijgen, en ook ledematen van Christus Jezus, onze Heer, mogen zijn.
S. Laat ons bidden.
V. Maken wij een kniebuiging.
R. Staat op.
V. Almachtige, eeuwige God, Gij laat uw Kerk voortdurend vruchtbaar zijn in de geboorte van nieuwe kinderen. Geef onze doopleerlingen dieper geloof en begrip, opdat zij, herboren in het bad van hun Doopsel, onder uw aangenomen kinderen mogen opgenomen worden. Door onze Heer Jezus Christus, uw Zoon: die met U leeft en heerst in de eenheid van de Heilige Geest, God: door alle eeuwen der eeuwen.
R. Amen.
_
_
V. Laat ons, welbeminden, onze God en almachtige Vader bidden, dat Hij de wereld reinige van alle dwalingen, de ziekten doe ophouden, de hongersnood verdrijve, de gevangenissen opene, de boeien slake, de reizigers behouden thuiskomst, de zieken gezondheid en de schippers een veilige haven geve.
S. Laat ons bidden.
V. Maken wij een kniebuiging.
R. Staat op.
V. Almachtige, eeuwige God, troost van de bedroefden, kracht van de zwoegers: laat de beden tot U doordringen van hen, die, uit welke nood ook, tot U roepen. Dat allen zich er over mogen verheugen, dat Gij in uw barmhartigheid hen in hun nood hebt bijgestaan. Door onze Heer Jezus Christus, uw Zoon: die met U leeft en heerst in de eenheid van de Heilige Geest, God: door alle eeuwen der eeuwen.
R. Amen.
_
_
V. Laat ons bidden voor de ketters en scheurmakers. Dat onze God en Heer hen aan alle dwalingen ontrukke en zich gewaardige hen terug te roepen tot onze heilige Moeder, de katholieke en apostolische Kerk.
S. Laat ons bidden.
V. Maken wij een kniebuiging.
R. Staat op.
V. Almachtige, eeuwige God, Gij maakt allen zalig en wilt niet, dat iemand verloren gaat. Sla acht op de zielen, die door de listen van de duivel zijn bedrogen, opdat de harten der dwalenden alle ketterse boosheid afleggen, tot inkeer komen en tot de eenheid van uw waarheid terugkeren. Door onze Heer Jezus Christus, uw Zoon: die met U leeft en heerst in de eenheid van de Heilige Geest, God: door alle eeuwen der eeuwen.
R. Amen.
_
_
V. Laat ons ook bidden voor de ongelovige Joden. Dat onze God en Heer de blinddoek van hun geest afneme, opdat ook zij Jezus Christus, onze Heer, erkennen.
(sed rubrica 1960) 
V. Laat ons ook bidden voor de Joden. Dat onze God en Heer de sluier wegneme van hun harten, opdat ook zij Jezus Christus, onze Heer, erkennen.
S. Laat ons bidden.
V. Maken wij een kniebuiging.
R. Staat op.
V. Almachtige, eeuwige God, Gij sluit zelfs de ongelovige Joden niet uit van uw barmhartigheid. Verhoor onze beden, die wij tot U richten voor dat verblinde volk, opdat zij het licht van uw warheid, Christus, erkennen en aan hun duisternis ontrukt worden. 
(sed rubrica 1960)
V. Almachtige en eeuwige God, die verlangt dat alle mensen gered worden en tot de kennis van de waarheid komen, verleen genadiglijk dat, door de intrede van alle volken in Uw Kerk, heel Israël gered mag worden.
Door dezelfde Jezus Christus, onze Heer, uw Zoon: die met U leeft en heerst in de eenheid van de Heilige Geest, God: door alle eeuwen der eeuwen.
R. Amen.
_
_
V. Laat ons ook bidden voor de heidenen. Dat de almachtige God de boosheid uit hun harten wegneme. Dat zij hun afgoden verlaten en zich bekeren tot de levende en ware God en zijn enige Zoon, Jezus Christus, onze God en Heer.
S. Laat ons bidden.
V. Maken wij een kniebuiging.
R. Staat op.
V. Almachtige, eeuwige God, Gij zoekt niet de dood van de zondaars, maar altijd hun leven. Aanvaard goedgunstig ons gebed en verlos hen uit de afgodendienst, en neem hen op in uw heilige Kerk tot lof en eer van zijn Naam. Door onze Heer Jezus Christus, uw Zoon: die met U leeft en heerst in de eenheid van de Heilige Geest, God: door alle eeuwen der eeuwen.
R. Amen.
_
_
!!DE TERTIA PARTE ACTIONIS LITURGICE SEU DE SOLEMNI SANCTAE CRUCIS ADORATIONE

!14. Wanneer de plechtige gebeden zijn voltooid, keren de celebrant en de misdienaars terug naar hun plaatsen, waar de celebrant zijn mantel uittrekt en de misdienaars hun dalmatiek of tuniek; en de plechtige aanbidding van het Heilige Kruis begint. Er wordt een vrij groot kruis gebruikt, met het crucifix bedekt met een violet sluier die gemakkelijk kan worden verwijderd.
!15. Eerst wordt het Heilige Kruis vanuit de sacristie naar het midden van het priesterkoor gedragen, terwijl iedereen staat. Het wordt als volgt gedragen: De celebrant en de subdiaken blijven staan ​​op hun plaatsen; de diaken gaat met de acolieten of misdienaars naar de sacristie, vanwaar hij het Kruis in een processie de kerk in draagt; de acolieten of misdienaars lopen voorop, gevolgd door de diaken met het Kruis, in het midden tussen twee andere acolieten of misdienaars, die brandende kandelaars dragen. Wanneer ze het priesterkoor zijn binnengegaan, komen de celebrant en de subdiaken hen tegemoet, en in het midden, voor het altaar, ontvangt de celebrant het kruis uit de handen van de diaken.
!15a. De celebrant gaat met de bedienaren naar de sacristie en draagt ​​vandaar, zoals hierboven beschreven, het kruis voor het altaar.
!16. Vervolgens vindt de onthulling van het Heilige Kruis als volgt plaats: De celebrant nadert de zijkant van de Epistel en, staande op de vlakke grond met zijn gezicht naar de mensen gericht, onthult hij het kruis een klein stukje van bovenaf. Dan begint hij alleen met de antifoon Ecce lignum Crucis, en wordt vervolgens bijgestaan ​​door de bedienaren, tot aan Venite, adoremus, dat door de schola wordt gezongen, begeleid door alle aanwezigen. Wanneer het zingen is afgelopen, knielen allen neer, behalve de celebrant, en aanbidden zij een kort moment in stilte. Vervolgens bestijgt de celebrant het altaar aan de zijde van de Epistel en onthult de rechterarm van de Gekruisigde; dan heft hij het Kruis even op, zo nodig met de hulp van de dienaren, en zingt hij opnieuw Ecce lignum Crucis, hoger dan eerst, waarbij de anderen volgen, en na het lied neerknielen, zoals hierboven beschreven. Ten slotte begeeft de celebrant zich naar het midden van het altaar, onthult het Kruis volledig en heft het op, waarna hij voor de derde keer begint met Ecce lignum Crucis, hoger gezongen, waarbij de anderen volgen zoals hierboven beschreven, en na het lied aanbidden. Twee acolieten, of dienaren, begeleiden het Kruis met brandende kandelaars, rechts en links van de celebrant.
!16 a. De celebrant wordt bij het onthullen van het heilige Kruis bijgestaan ​​door de dienaren; maar de antifoon Ecce lignum Crucis, tot aan Venite, adoremus, zingt hij alleen.
V. Zie het kruishout, waaraan het heil van de wereld heeft gehangen.
R. Komt, laten wij aanbidden.
V. Zie het kruishout, waaraan het heil van de wereld heeft gehangen.
R. Komt, laten wij aanbidden.
V. Zie het kruishout, waaraan het heil van de wereld heeft gehangen.
R. Komt, laten wij aanbidden.
!17. Na de ontdekking van het Kruis volgt de plechtige aanbidding ervan, als volgt: Nadat het Kruis is ontdekt, wordt het door de celebrant overhandigd aan twee acolieten of dienaren. Zij staan ​​op het altaar, voor het midden van het altaar en met hun gezicht naar de mensen, en ondersteunen het met hun armen aan beide zijden, zodat de voet van het Kruis op het altaar rust. De andere twee acolieten of dienaren, die de brandende kandelaar droegen en deze aan de rechter- en linkerkant van het Kruis op het altaar plaatsten, blijven aan de zijkanten van het altaar, op een hogere trede, met hun gezicht naar het Kruis. Dan begint de aanbidding van het Heilige Kruis, in de volgende volgorde: eerst nadert alleen de celebrant; dan de bedienaren, vervolgens de geestelijkheid en ten slotte de dienaren. Al deze personen, indien mogelijk, trekken eerst hun schoenen uit en kussen, één voor één, terwijl ze het kruis naderen, de voeten van de Gekruisigde met een eenvoudige kniebuiging die driemaal wordt herhaald.
!18. Na de aanbidding door de celebrant, de bedienaren, de geestelijkheid en de dienaren, wordt het Heilige Kruis door twee acolieten of dienaren, vergezeld door twee andere acolieten of dienaren, met brandende kandelaars naar de balustrade gedragen en daar op dezelfde wijze als hierboven ondersteund, zodat de gelovigen, die in processie voor het kruis langsgaan, eerst de mannen, dan de vrouwen, devoot de voeten van de Gekruisigde kunnen kussen, voorafgegaan door een eenvoudige kniebuiging. Indien de pastoor of rector van de kerk voorziet dat de aanbidding van het Heilige Kruis, zoals hierboven voorgeschreven, moeilijk of niet kan worden uitgevoerd zonder de goede orde en devotie te schaden vanwege de grote menigte, dan wordt de ceremonie als volgt uitgevoerd: de celebrant neemt, nadat de geestelijkheid (indien aanwezig) en de aanwezigen hun aanbidding hebben voltooid, het Heilige Kruis uit de handen van de aanwezigen en, staande bovenaan de treden van het altaar, nodigt hij de mensen in enkele woorden uit tot aanbidding van het Heilige Kruis en houdt het hoger, zodat de gelovigen het korte tijd in stilte kunnen aanbidden.
!19. Terwijl de aanbidding van het Heilige Kruis wordt verricht, worden de zogenaamde Improperia en andere daaropvolgende gedeelten gezongen door de schola, dat is verdeeld in twee koren; de celebrant, de geestelijken en degenen die dienen, en alle anderen die de aanbidding van het Heilige Kruis hebben verricht, zitten en luisteren. Het zingen wordt voortgezet zolang het aantal aanbidders dat vereist. Het eindigt echter altijd met de lofzang: Sempiterna sit beatae Trinitati gloria, zoals hieronder.
!IMPROPERIA
!De partijen die bij elk koor horen, worden aangegeven met de nummers 1 (eerste koor) en 2 (tweede koor); de partijen die door beide koren samen gezongen moeten worden, worden als volgt aangegeven: 1 en 2.
!1 en 2
V. Mijn volk, wat heb Ik u gedaan, of waarin heb Ik u bedroefd? Antwoord Mij.
V. Omdat Ik u voerde uit het land van Egypte hebt gij een kruis bereid voor uw Verlosser.
!1
R. Heilige God.
!2
R. Heilige God.
!1
R. Heilige Sterke.
!2
R. Heilige Sterke.
!1
R. Heilige Onsterfelijke, ontferm U over ons.
!2
R. Heilige Onsterfelijke, ontferm U over ons.
! 1 en 2
V. Omdat Ik u door de woestijn voerde veertig jaar, u met manna voedde en u bracht in een zeer goed land hebt gij een kruis bereid voor uw Verlosser.
!1
R. Heilige God.
!2
R. Heilige God.
!1
R. Heilige Sterke.
!2
R. Heilige Sterke.
!1
R. Heilige Onsterfelijke, ontferm U over ons.
!2
R. Heilige Onsterfelijke, ontferm U over ons.
! 1 en 2
V. Wat had Ik dan nog meer voor u moeten doen, dat Ik verzuimd heb? Ik heb u geplant als mijn allerschoonste wijnstok, maar gij zijt Mij bitter geworden bovenmate, want met azijn hebt gij mijn dorst gelaafd en met een lans hebt gij de zijde van uw Verlosser doorboord.
R. Heilige God.
R. Heilige God.
R. Heilige Sterke.
R. Heilige Sterke.
R. Heilige Onsterfelijke, ontferm U over ons.
R. Heilige Onsterfelijke, ontferm U over ons.
_
_
!1
V. Om u heb Ik Egypte getuchtigd in zijn eerstgeborenen en gij hebt Mij laten geselen en hebt Mij overgeleverd.
!2
R. Mijn volk, wat heb Ik u gedaan, of waarin heb Ik u bedroefd? Antwoord Mij.
!1
V. Ik heb u uit Egypte gevoerd en in de Rode Zee liet Ik Farao verdrinken, maar gij hebt Mij overgeleverd aan de opperpriesters.
!2
R. Mijn volk, wat heb Ik u gedaan, of waarin heb Ik u bedroefd? Antwoord Mij.
!1
V. Ik heb u de zee toegankelijk gemaakt en gij hebt met een lans mijn zijde geopend.
!2
R. Mijn volk, wat heb Ik u gedaan, of waarin heb Ik u bedroefd? Antwoord Mij.
!1
V. Ik ben u voorgegaan in een wolkkolom en gij hebt Mij gebracht naar het gerechtshof van Pilatus.
!2
R. Mijn volk, wat heb Ik u gedaan, of waarin heb Ik u bedroefd? Antwoord Mij.
!1
V. Ik heb u in de woestijn met manna gevoed en gij hebt Mij getuchtigd met kaakslagen en geselroeden.
!2
R. Mijn volk, wat heb Ik u gedaan, of waarin heb Ik u bedroefd? Antwoord Mij.
!1
V. Ik heb u gelaafd met een heilsdronk uit de rots en gij hebt Mij gelaafd met gal en azijn.
!2
R. Mijn volk, wat heb Ik u gedaan, of waarin heb Ik u bedroefd? Antwoord Mij.
!1
V. Ik heb om u de koningen van Chanaän verslagen en gij hebt Mij met een rietstok op mijn hoofd geslagen.
!2
R. Mijn volk, wat heb Ik u gedaan, of waarin heb Ik u bedroefd? Antwoord Mij.
!1
V. Ik gaf u een koningsscepter en gij hebt op mijn hoofd een doornenkroon geplaatst.
!2
R. Mijn volk, wat heb Ik u gedaan, of waarin heb Ik u bedroefd? Antwoord Mij.
!1
V. Ik heb u verheven met grote kracht en gij hebt Mij opgeheven aan het kruishout.
!2
R. Mijn volk, wat heb Ik u gedaan, of waarin heb Ik u bedroefd? Antwoord Mij.
!1 en 2 Antiphóna
Ant. Wij vereren uw Kruis, o Heer, en loven en prijzen uw heilige Verrijzenis, want waarlijk door het hout kwam vreugde in de gehele wereld.
!1
God zij ons genadig en zegene ons.
!2
Hij doe zijn aanschijn over ons stralen en zij ons genadig.
!1 et 2 Antiphóna
Ant. Wij vereren uw Kruis, o Heer, en loven en prijzen uw heilige Verrijzenis, want waarlijk door het hout kwam vreugde in de gehele wereld.
_
_
!CRUX FIDELIS
!1 en 2 Antiphona:
Ant. Trouwe kruisboom, onder alle enig in uw adeldom. Neen, geen woud teelt uws gelijke, 't zij in lover, bloem of vrucht. Zoete takken, zoete spijkers, wat een zoete last draagt Gij.
! 1 Hymnus
V. Zing, mijn tong, de lauwerkransen
van de glorievolle strijd,
van de kruistrofee verkondig
de triomf vol heerlijkheid,
hoe de Redder van de wereld
zegeviert in offerdood.
_ `
!2
Ant. Trouwe kruisboom, onder alle enig in uw adeldom. Neen, geen woud teelt uws gelijke, 't zij in lover, bloem of vrucht.
!1
V. 't Eerstgeschapen paar, bedrogen,
wierf des Scheppers medelij,
toen een appelbeet, vergiftig,
het gestort had in de dood.
Ja, Hijzelf wees toen het hout aan,
dat de vloek van 't hout ontbindt.
_ `
!2
Ant. Zoete takken, zoete spijkers, wat een zoete last draagt Gij.
!1
V. Zulk een wijze van verlossing
werd geëist door 't ordeplan,
om de list des albedriegers
te verschalken door de list.
Zo, dat medicijn zou schenken,
wat door 's vijands slagen wondt.
_ `
!2
Ant. Trouwe kruisboom, onder alle enig in uw adeldom. Neen, geen woud teelt uws gelijke, 't zij in lover, bloem of vrucht.
!1
V. Toen dan eind'lijk was gekomen
volheid van de heilige tijd,
werd uit 's Vaders troon gezonden
hier de Zoon, die 't aardrijk sticht.
Uit de schoot der Maagd verscheen Hij 
met het menselijk vlees omkleed.
_ `
!2
Ant. Zoete takken, zoete spijkers, wat een zoete last draagt Gij.
!1
V. 't Kindje weent, zo eng besloten
in de kribbe neergelegd,
doekjes rond de kleine leden
die de Moedermaagd omwindt.
Van een God, zijn hand en voeten
vastgelegd in enge band.
_ `
!2
Ant. Trouwe kruisboom, onder alle enig in uw adeldom. Neen, geen woud teelt uws gelijke, 't zij in lover, bloem of vrucht.
!1
V. 't Lustrum zesmaal reeds doorlopen,
's levens tijd ten einde voltooid,
gans vrijwillig schonk de Redder
zich aan 't lijden, om te zijn
't Lam, geslacht en opgeheven,
aan de stam van 't kruis gehecht.
_ `
!2
Ant. Zoete takken, zoete spijkers, wat een zoete last draagt Gij.
!1
V. Gal tot laafnis, zie Hem kwijnend!
Doornen, nagels en de lans
hebben 't zachte vlees doorstoken.
Water vloeit eruit en bloed.
Land, zee en sterren, wereld,
welk een vloed toch wast ze rein!
_ `
!2
Ant. Trouwe kruisboom, onder alle enig in uw adeldom. Neen, geen woud teelt uws gelijke, 't zij in lover, bloem of vrucht.
!1
V. Buig uw twijgen, boom, verheven,
span uw vezels minder strak,
dat de hardheid ledig worde,
die gij van natuur bezit,
en gij hoge Konings leden
minder uitrekt op uw stam.
_ `
!2
Ant. Zoete takken, zoete spijkers, wat een zoete last draagt Gij.
!1
V. Gij alleen mocht waardig dragen
heel der wereld offerand',
en een haven ons ontsluiten.
Ark, toen de aarde schipbreuk leed,
ark, gewijd door het Bloed, zo heilig,
uit het Lichaam van het Lam.
_ `
!2
Ant. Trouwe kruisboom, onder alle enig in uw adeldom. Neen, geen woud teelt uws gelijke, 't zij in lover, bloem of vrucht.
!De conclusie mag nooit worden weggelaten:
!1
V. In haar zaligheid voor eeuwig
glorie aan de Triniteit,
zo de Vader, zo de Zoon ook,
en de Geest eenzelfde lot.
Dat de Naam des Een-Drievoud'gen
door 't heelal geprezen zij.
Amen.
!2
Ant. Zoete takken, zoete spijkers, wat een zoete last draagt Gij.
_
_
!20. Wanneer de aanbidding van het kruis is voltooid, wordt het kruis zelf door de acolieten of dienaren die het hebben gedragen, samen met twee andere acolieten of dienaren, met brandende kandelaars naar het altaar gedragen en daar in het midden geplaatst. Indien de opstelling van het altaar dit toelaat, wordt het zo hoog geplaatst dat het gemakkelijk door de gelovigen kan worden gezien, zonder de celebrant te hinderen bij de daaropvolgende ceremonies die op het altaar worden uitgevoerd. De brandende kandelaars worden op het altaar geplaatst.
!21. Vervolgens nemen de celebrant en de diaken, na hun zwarte stola te hebben afgelegd, de purperen gewaden aan, namelijk de stola en planeet van de celebrant, de stola en dalmatiek van de diaken en de tuniek van de subdiaken.
!22. Dan brengt de diaken, na de beurs over het altaar te hebben gebracht, het corporaal op de gebruikelijke wijze; De acoliet, of bedienaar, plaatst een watervat met een reinigingsbeker op het altaar, om de vingers na de communie te wassen en af ​​te vegen, en schikt het boek naast het evangelieboek.
!22a. Voordat de processie begint, draagt ​​de priester het corporaal en vouwt het op het altaar open, zoals gebruikelijk.
!23. Zo wordt het sacrament van de bewaarplaats naar het hoofdaltaar gedragen voor de viering van de communie. Het wordt als volgt gedragen: De celebrant en subdiaken, de geestelijkheid en het volk blijven in stilte op hun plaats. De diaken met twee acolieten en een andere geestelijke die de paraplu draagt, nadert het altaar van de bewaarplaats, waar twee kandelaars met brandende kaarsen klaarstaan, die later door de acolieten worden meegenomen. Zij knielen bij het altaar van de bewaarplaats; vervolgens neemt de diaken de ciborie uit het tabernakel, en bedekt de ciborie met de uiteinden van een witte schouderdoek, waarna hij deze naar het grote altaar draagt.
!23a. Alles wordt gedaan door de celebrant zelf met zijn dienaren.
!24. Zij gaan in de volgorde waarin zij gekomen zijn; een paraplu wordt over het sacrament gebracht; de acolieten gaan hier en daar rond met brandende kandelaars, allen knielen. Ondertussen zingt het koor de volgende antifonen:
V. Wij aanbidden U, Christus, en wij loven U, omdat Gij door uw Kruis de wereld verlost hebt
V. Door het hout werden wij slaven, en door het heilig Kruis zijn wij bevrijd. De vrucht van een boom verleidde ons, maar de Zoon van God heeft ons gered.
V. Verlosser der wereld, red ons. Gij, die ons door uw Kruis en uw Bloed gered hebt, help ons, zo smeken wij U, onze God.
_
_
!!Communio
!25. Wanneer zij het grote altaar bereikt hebben, beklimmen zij het. De diaken plaatst de ciborie op het corporaal en de acolieten plaatsen de kandelaar op het altaar. Na geknield te hebben, laat de diaken de schouderdoek los en trekt zich terug naar de zijkant van de Epistel; de acolieten dalen van de ene kant naar de andere af en knielen op de onderste trede van het altaar.
!26. Dan naderen de celebrant en de subdiaken het altaar, aanbidden op beide knieën, beklimmen het en na samen met de diaken geknield te hebben, reciteert de celebrant met een heldere stem, niet zingend, de prefatie van het gebed, Dominisce Oremus. Nadat zij gewaarschuwd zijn door de heilzame voorschriften. Maar het hele Onze Vader, aangezien het een gebed voor de communie is, reciteren alle aanwezigen, geestelijken en gelovigen, samen met de celebrant, plechtig, ernstig en duidelijk in het Latijn, met de toevoeging van Amen door allen. De celebrant zegt, met gevouwen handen:
V. Laat ons bidden.
Laten wij bidden. Door heilzame voorschriften aangemaand, en in de goddelijke school gevormd, durven wij zeggen:
!De voorganger, eveneens met gevouwen handen, en alle aanwezigen vervolgen:
V. Onze Vader, die in de hemel zijt, uw Naam worde geheiligd, uw rijk kome, uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel. Geef ons heden ons dagelijks brood en vergeef ons onze schuld, zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven, en leid ons niet in bekoring. Maar verlos ons van het kwade. Amen.
_
!27. De celebrant alleen, met een heldere en verstaanbare stem en met uitgestrekte handen, vervolgt:
V. Wij vragen U, Heer, verlos ons van alle kwaad uit het verleden, het heden en de toekomst, en schenk ons op voorspraak van de roemrijke, altijd maaagdelijke Moeder van God, Maria, uw heilige apostelen Petrus en Paulus, en Andreas en alle heiligen, genadig uw vrede in onze dagen, opdat wij, met de steun van uw barmhartigheid, ons altijd vrij van zonden mogen houden, en tegen alle onrust beschermd zijn. 
!En iedereen antwoordt:
R. Amen.
_ `
!28. En direct daarna reciteert de celebrant, met gedempte stem, het volgende gebed, terwijl hij zoals gebruikelijk buigt en zijn handen gevouwen op het altaar legt:
V. Moge de nuttiging van uw Lichaam, Heer Jezus Christus, dat ik, onwaardige, durf te ontvangen, voor mij geen vonnis en oordeel betekenen, maar overeenkomstig uw goedheid mij bescherming bieden naar ziel en lichaam en mij een middel ter verbetering zijn. Die leeft en heerst met God de Vader, in eenheid met de Heilige Geest, God: door alle eeuwen der eeuwen. Amen.
_ `
!29. Vervolgens onthult hij de ciborie, en na een knieval ontvangt hij het heilige deeltje. Hij houdt het boven de ciborie, buigt zich voorover en slaat op zijn borst, terwijl hij driemaal op de gebruikelijke wijze zegt:
S. Heer, ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak komt, maar spreek slechts een woord en mijn ziel zal gezond worden.
S. Heer, ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak komt, maar spreek slechts een woord en mijn ziel zal gezond worden.
S. Heer, ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak komt, maar spreek slechts een woord en mijn ziel zal gezond worden.
!30. Postea, signans se Sacramento, adiungit submissa voce:
V. Het Lichaam van onze Heer Jezus Christus moge mijn ziel bewaren voor het eeuwig leven. Amen.
!En hij neemt het Lichaam eerbiedig in ontvangst en rust even in meditatie over het Sacrament.
!31. En onmiddellijk daarna biecht de diaken. Vervolgens knielt de celebrant neer, wendt zich tot de mensen en zegt met zijn handen voor zijn borst gevouwen, met luide stem:
V. Moge de almachtige God zich over u ontfermen, uw zonden vergeven en u zo het eeuwige leven binnenleiden.
!Allen antwoorden:
Amen.
!De celebrant vervolgt:
V. Moge + de almachtige en barmhartige God u genade, vrijspraak en vergiffenis schenken van al uw zonden.
!Allen antwoorden:
Amen.
!32. Vervolgens wendt hij zich tot het altaar, knielt neer, neemt de kist op en, zoals gebruikelijk, wendt hij zich tot de mensen, midden op het altaar, en zegt met luide stem:
Ziet het Lam Gods, ziet Hem, die de zonden van de wereld wegneemt.
!Al snel voegt hij eraan toe:
Heer, ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak komt, maar spreek slechts een woord en mijn ziel zal gezond worden.
!die hij een tweede en een derde keer herhaalt.
!En hij gaat verder met het uitdelen van de communie, zoals hierboven is gezegd op vrijdag in het Avondmaal des Heren, 159, nr. 29. De priesters dragen echter een paarse stola.
!33. Terwijl de Heilige Communie wordt uitgedeeld, kan Psalm 21, Deus meus, Deus meus, gezongen worden; of een of meer responsoria uit de Metten van deze vrijdag.
!34. Nadat de communie is uitgedeeld, wast de celebrant zijn vingers in een kom en veegt ze af met de purificator, zonder iets te zeggen; maar hij plaatst de ciborie in het tabernakel.
!35. Wanneer dit alles is gedaan, zegt de celebrant, staande in het midden van het altaar, met een boek voor zich, met de heilige bedienaren aan zijn rechter- en linkerzijde, ter dankzegging, in de feriale toon en met gevouwen handen, de volgende drie gebeden, waarbij allen staan ​​en Amen antwoorden.
_
_
V. Laat ons bidden.
Heer, uw volk heeft nu het lijden en de dood van uw Zoon godvruchtig herdacht; wij smeken U dan, laat uw zegen overvloedig over ons neerdalen. Geef ons vergeving en troost, versterk in ons het heilig geloof en bevestig het eeuwig heil in ons. Door Christus onze Heer.
R. Amen.
_ `
V. Laat ons bidden.
Almachtige en barmhartige God, Gij hebt ons genezen door het zaligende lijden en de dood van uw Christus. Bewaar in ons dit werk van uw barmhartigheid, en geef, dat wij door onze deelneming aan deze geheimen mogen leven in een voortdurende godsvrucht. Door Christus onze Heer.
R. Amen.
_ `
V. Laat ons bidden.
Heer, gedenk al uw vroegere gunsten en heilig uw dienaren door uw voortdurende bescherming, want voor hen heeft Christus, uw Zoon, door zijn bloed de paasgeheimen ingesteld. Door Christus onze Heer.
R. Amen.
!36. De celebrant en de heilige bedienaren dalen van het altaar af en keren, na geknield te hebben, samen met de acolieten of bedienaren terug naar de sacristie.
!37. De completen worden in het koor gebeden, met de kaarsen gedoofd en zonder gezang.
!38. Op het juiste moment wordt de allerheiligste Eucharistie in eenvoudige vorm teruggebracht naar de bewaarplaats en daar bewaard, met de lamp zoals gebruikelijk brandend. En het altaar wordt ontbloot.
